
Sinterklaas
Zwarte Piet
Het witte paard.
Ze komen er aan
Eindelijk!

Sinterklaas
Zwarte Piet
Het witte paard.
Ze komen er aan
Eindelijk!

Blij dat ik weer in de Nieuwe kaai was, om te luisteren, te vertellen, te schrijven — en tussendoor ook gewoon even te zijn.
Ik bracht een winters gedicht mee (eerlijk: ik ben geen wintermens). De seizoenen cirkelen, de zon moet het soms allemaal weer goedmaken. Dat leverde meteen herkenning op: warmte, licht, maar ook dat gevoel dat je soms gewoon… opnieuw moet rechtstaan.
Daarna kwamen we terecht bij huisdieren. Ik las mijn eigen “beestenboel” voor — met duiven, geiten, ezels en poezen — geïnspireerd door de vorige sessie (waar de duiven al eens onderwerp van gesprek waren geweest).
En toen ging het open: wie had er dieren? Wie had er koeien? Paarden? Katten? En vooral: wie had er geen schrik… en wie juist wél?
Er kwam een stevig verhaal op tafel, eentje dat je niet verzint: een stier, een muur, en “randje kantje”. Er werd gelachen (want humor is ook overleven), maar je voelde ook: dit is écht gebeurd, dit zit in een lijf. En tegelijk: het werd verteld zoals verhalen soms verteld worden — met nuchterheid, met een knipoog, maar ook met respect.
We maakten samen een elfje, met woorden die uit de groep kwamen. Over voorzichtig zijn. Over inschatten. Over boerderij-dieren die je beter niet onderschat. Zo’n elfje is eigenlijk een mini-samenvatting van een hele levenservaring.
Daarna werd het tijd voor iets romantisch. Ik las een tekst voor over zintuigen — over horen, ruiken, voelen, zien — en hoe de wereld anders wordt “met jou erin”. En zoals dat gaat: dan komt er ineens een klassiek rijmpje boven (“rozen verwelken, scheepjes vergaan…”), en ook zo’n typische uitspraak die in de Kempen thuishoort:
“Rijmen en dichten zonder uw gat op te lichten.”
(Die hoor ik wel vaker…)
We praatten verder over hoe liefde voor iedereen anders is. Voor de één vanzelfsprekend, voor de ander werk. Voor de één zacht, voor de ander streng maar rechtvaardig. En uit dat gesprek groeide een tweede gedicht.
Tussendoor lazen we ook twee verhalen voor uit Ik weet nog goed (zo’n fantastisch boek dat meteen iets losmaakt), en er was muziek met La ballade des gens heureux, en daarna even de vaart erin met Herman van Veen (Opzij, opzij, opzij). Dat werkt altijd.
Ik las ook mijn eigen verhaal voor over de typmachine: tik-tik-tik… een belletje… paniek… en dan moeke die gewoon weet hoe het moet.
✨ Ondanks de mooie resultaten was het deze keer toch nog weer wat zoeken geweest voor mij. Soms voelde ik me verloren. Maar echt telkens weer bracht de warmte van de Nieuwe Kaai me bij de realiteit: gewoon aanwezig zijn, vertellen, samenhorigheid. Dàt is het belangrijkste. Niet resultaten of een soepele sessie. Gewoon zijn.

We waren samen een uurtje, maar het voelde langer. Niet omdat de tijd traag ging — integendeel — maar omdat herinneringen zich opstapelden en elkaar begonnen te verwarmen.
We begonnen met poëzie, met een winters sonnet.
Al snel kwamen de eerste herinneringen boven. Niet abstract, maar heel concreet: hoe sneeuw eruitzag, hoe kou voelde op wangen, hoe je lichaam reageerde op winter.
Vanuit die gesprekken groeide een gezamenlijk gedicht. Regel per regel, herinnering per herinnering. Over sleeën op de Konijnenberg, een verloren sjaal, handschoenen “op de dool”, bloemen op de ruiten en ijzel die verraderlijk glad kon zijn.
Ook de warmte van vroeger kreeg een plek:
Het gedicht werd een mozaïek van stemmen — niet nostalgisch alleen, maar eerlijk. Warm én vuil. Gezellig én gevaarlijk.
In het tweede halfuur verschoof het gesprek vanzelf naar het nu. Zijn winters veranderd? Waren ze vroeger kouder, of voelden ze kouder aan?
Er werd nagedacht over donsdekens, elektrische kacheltjes, beter geïsoleerde huizen. Over comfort, maar ook over hoe we de winter vandaag anders beleven.
De conclusie kwam niet in grote woorden, maar in een eenvoudige zin waar iedereen zich in kon vinden:
Of het nu koud of warm is,
elke tijd heeft zijn charmes.
Daarna werd er opnieuw gelezen:
– het sneeuwgedicht van Toon Hermans, over liefde en lente onder wintervlokken
– een eigen verhaal over een typemachine en een moeder aan de afwas, waar geur van Dreft en geduldige uitleg herinneringen losmaakten
– en tot slot een nieuwjaarsgedicht, zacht en speels, met een glimlach en “een zoen van je kapoen”
Er werd geluisterd, herkend, gelachen. En vooral: gedeeld.
✨ Het werd een sessie over de winter, die uiteindelijk vooral warmte bracht.
📸 Wat brengt jou warmte op een koude dag?
👉 Deel het via info@zilverenverhalen.be!

De liefde is anders voor iedereen,
dat is voor alles in het leven.
Onze liefde is niet voor even,
het liefst blijven we altijd bijeen.

huisdieren
je bent
op je hoede
met paarden en koeien
oppassen

De sneeuw dwarrelt naar benee
kinderen op een slee
op de konijnenberg spelen
we waren met velen
door de wind op onze wangen
blijven we naar de lente verlangen,
door de koude naar school
een sjaal kwijt en een handschoen op de dool
winter is ijzel en gevaarlijke gladheid
Waar is de tijd?
de bloemen op de ruiten
toen was het pas koud buiten
voor de warmte zal de vuile kolenkachel aan moeten
klompen deden deugd aan onze voeten
ze leggen op de Leuvense stoof deden we ook
een gevaarlijk duveltje werd warm en had veel rook
nu zijn de winters minder eng
ze lijken minder streng,
maar we kunnen beter verwarmen en koken,
we moeten niet meer met hout of kolen stoken
Of het nu koud of warm is,
elke tijd heeft zijn charmes.

Kom kom kom kom.
Kom duifke.
Kom duifke.
Charel roept zijn duiven van buiten naar binnen.
Vooruit vooruit vooruit
Vooruit met die ezel.
Jef krijgt z’n ezel niet terug de wei in.
Kom kom kom kom.
Kom poezeke
Kom poezeke
Maria roept haar poes Cleo van buiten naar binnen
Vooruit vooruit vooruit
Vooruit met de geit.
Jef krijgt z’n geitjes niet terug in de stal.
Wat ‘n gedoe, wat ‘n lawaai, wat ‘n beestenboel.
Zonder onze dieren kunnen we niet.
Hond op schoot. Poes die van aaitjes geniet,
koeien melken of duiven spotten. Een goed gevoel!
Je roept fel naar de duiven of de kat.
Vooruit met de ezel, vooruit met de geit.
Je werkt hard voor je dieren, zonder spijt.
Want ze houden ook van jou, wist je dat?
een hagedis of vogelspin is tegenwoordig hip.
maar van zo’n huisdieren moet ik beven.
Ik houd van m’n poezen, vissen en gekke kip
Zo’n huisdier heb je niet voor even.
Je zorgt ervoor en zij voor jou in een dip.
Een huisdier heb je dus voor het leven!

januari
zonder sneeuw
koud en kil
we gaan maar werken
Brrrr
februari
de liefde!
Valentijn met kusjes
we willen veel meer
Cupido
maart
lentegevoel komt
was er maar
meer om van te
genieten!

Tik tik tik tik tik tik – TING.
Ik ram met m’n vingers op de typmachine. Opeens gaat er een belletje. Wat is dat nu?
Ik typ verder, maar dat lukt maar eventjes. Het einde van de lijn. Jahaa, dat is er dus aan de hand. Mijn vingers kunnen even rusten van het rammen op de toetsen terwijl ik zoek wat er mis is met dit rottig machine. Zucht. Het lukt niet.
MOEKE… MOOEEEKE…
Ik roep gefrustreerd, maar krijg geen antwoord.
Dus ga ik maar op zoek naar haar. M’n moeke staat de afwas te doen. Ik voel me wat ontspannen en glimlach zelfs bij dit zicht. Toch charmant hoe ze steeds de afwas blijft doen, terwijl vokke en moeke al jaren een afwasmachine hebben staan. Ze zegt altijd dat ze de geur van Dreft zo lekker vindt. Bovendien vindt ze het heerlijk om na de afwas haar droge huid in te smeren met Nivea uit dat blauwe blik.
“Moeke?” vraag ik. “De typmachine werkt niet meer.”
“Oei, schat, wat heb je ermee gedaan?”
“Ik weet het niet, moeke. Hij wil niet naar de volgende lijn gaan! Waar staat de knop ‘enter’?”
M’n moeke begint te grinniken. Ik voel m’n norsheid terugkomen. Wat is er zo grappig aan een kapotte typmachine? Ik wilde een mooie, authentieke, ouderwetse brief schrijven — of nu ja, typen — voor een project op school. Maar zo gaat dat niet en ik heb geen tijd te verliezen!
Ik draai me om en wandel mompelend terug naar het kleine bureautje waarop de grijze typmachine staat.
“Laat maar,” zeg ik. “Laat ook maar, met die brol van vroeger.”
M’n moeke volgt me. “Schat,” zegt ze, “een typmachine heeft zo geen toets. Je moet met de hendel werken om naar de volgende lijn te gaan.” Ze glimlacht geduldig en toont me hoe het moet.
“Dat is iets gek,” zeg ik. “Dat had ik nooit kunnen verzinnen.”
Weer grinnikt m’n moeke. “Ja, schat, dat is wat anders dan een computer.”
Ze begint me alle knopjes uit te leggen en toont me hoe ik hoofdletters moet zetten (alle toetsen opeens omhoog!) en hoe ik eventueel het inktlint moet vervangen. Ze vertelt, en ik luister geduldig. Ook al noemt m’n moeke mij ‘schat’, dit vind ik nu eens écht schattig. Ze is helemaal terug gekatapulteerd naar vroegere tijden, toen ze tijdens haar bureaujob brieven typte voor haar baas.
“Nooit een foutje maken,” dat was het moeilijkste. Want je kan niet gewoon teruggaan met een typmachine, zoals op de computer.
“Wat vind je dan van de computer van nu, moeke?” vraag ik.
“Ach, schat, dat is allemaal niet aan mij besteed. Ik kan snel typen, maar de computers van tegenwoordig gaan me iets te snel. Er is toch niets leukers dan alles rustig, op het gemak, een vooral zorgvuldig doen.”
“Zoals je de afwas graag doet, moeke?”
“Helemaal, schat. Ik ken alles van typmachines, maar weinig van afwasmachines. Maar voor mij hoeft dat allemaal niet. Jij hebt altijd ‘geen tijd te verliezen’. Wel, ik doe alles op ’t gemakske en geniet ervan. En mijn afwas is toch even proper?”
“Dat is waar, moeke. Je bent een krak.”
“Zo,” zegt ze, “typ nu maar je brief verder voor school. En je weet: geen foutjes maken.”
“Goed, moeke. En daarna kom ik helpen afdrogen. Doen we dat samen én zorgvuldig.”

9 januari voelde als een echte winter-namiddag: een mengeling van sneeuwverlangen, regenrealiteit, muziek, lachen… en vooral: veel woorden die mochten landen.
We begonnen poëtisch met Toon Hermans. Een gedicht over sneeuw die onverwacht valt — zelfs in april — en over liefde die tegelijk warm en koud kan zijn. Daarna dook ook zijn speelse ballonnetje op: licht, muzikaal, een beetje absurd en daardoor net zo ontwapenend. Even was het alsof er een draadje naar de zon in de kamer hing.
De winter bleef als thema aanwezig. In een grappige reeks “ondersteboven” ging het van kerstboom-perikelen (met katten die de boel graag testen) tot het gekke idee dat het in Australië met Kerstmis zomer is. Dat leidde vanzelf naar reizen: hoe ver ben je ooit geweest? Spanje kwam al snel op tafel — en bij sommigen zelfs “elk jaar”. We schreven er een elfje over.
We luisterden ook naar Singin’ in the Rain: een heerlijk contrast met alles wat ik had voorbereid had over sneeuw. (De hele week sneeuw en toen regende het natuurlijk)
We probeerden daarna een fantasieverhaal met kaarten — en één keer lukte dat heerlijk:
Een vlinder en een dolfijn belandden naast de rivier, onze vlinder maakte zelfs honing, en de dolfijn vond dat (uiteraard) geweldig lekker.
Eind goed, al goed.
Een tweede poging met een enthousiaste kip en een verkouden slang bleef wat hangen. En dat was helemaal oké: niet elke combinatie vraagt om een verhaal — soms is “het komt vandaag niet” gewoon ook een eerlijk antwoord.
Daarna gingen we samen dichten over wat wél echt was vandaag: regen. We bouwden stap voor stap aan een lang rijmgedicht, vol herkenning: van “tik tik” tegen het raam tot regenjas, paraplu, humeur, en zelfs Armand Pien.
Er kwam nog tweemaal eigen werk. Over het verlangen naar zon én ook een gedicht over het verlangen naar sleeën.
We sloten af met een nieuwjaarsbrief: warm, speels, en met de wens om samen te blijven gaan. En ja—er kwam zelfs spontaan terug: “een zoen van je kapoen.”
✨ Een sessie met veel afwisseling: bekende poëzie, eigen werk, een geslaagd dierenverhaal, een groepsgedicht dat echt samen gedragen werd, en een klein stukje Spanje in de winter.
📸 Wat heeft jouw voorkeur: winter of zomer?
👉 Deel het gerust via info@zilverenverhalen.be