LDC Albert Van Dyck – 6 oktober 2026

Op dinsdag 6 oktober schoof ik opnieuw aan bij de tafel in de CADO in LDC Albert Van Dyck. Nog voor de eerste gedichten klonken, ging het al over kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Met al die mensen zou zelfs deze grote tafel te klein kunnen worden. Dan maar in twee shiften eten. Of drie!

Er was ook iemand voor het eerst bij. Gedichten schrijven was niet meteen zijn hobby; golfen en voetbal lagen hem meer. Hij vertelde dat hij tot zijn 94ste had gegolft. Inmiddels was hij 95. Voor golf moest je geduld hebben, vonden we. Voor een gedicht misschien ook wel. Gelukkig konden we samen naar de woorden zoeken.

Herfstkleuren en de verwarming hoger

Ik had limericks over de seizoenen meegebracht. Op winter, zomer en lente valt nog wel iets te rijmen. Maar herfst? Dat woord maakte het me behoorlijk moeilijk. De herfst zelf verdeelde de tafel ook een beetje. De ene genoot van de kleuren van de bladeren en het korter worden van de dagen, de andere koos liever voor de lente en de bloemen.

We praatten over thee drinken, donkere ochtenden en Halloween. Daarna schreven we samen een elfje. De bladeren verkleurden, het werd kouder en de verwarming mocht weer wat hoger. Het laatste woord kwam vanzelf: gezelligheid.

Speelgoed van vroeger

Een verhaal over een bromtol bracht ons bij het speelgoed van vroeger. We haalden herinneringen op aan diabolo’s, stelten en potjes met touwtjes om op te lopen. Er kwamen houten treintjes, speelgoedauto’s en een View-Master voorbij. Bij de modeltreinen hoorde soms ook een papa die er verstand van had. En die natuurlijk mee moest spelen.

Ook de hoelahoep kwam ter sprake. Sommige dingen blijven plezant, hoe oud ze ook zijn. Van de speelgoedherinneringen maakten we een tweede elfje.

Een liedje en een stukje appeltaart

Met een boekje vol weetjes reisden we verder naar de jaren tachtig. Van tennis en de Rubiks kubus kwamen we bij Sandra Kim terecht. Haar overwinning met J’aime la vie riep herkenning op. Ik zette het liedje even op: ook muziek kon ons terugbrengen naar vroeger.

Daarna las ik een verhaal over appeltaart voor. Over appeltjes van de buren, vlechtwerk van deeg en stiekem snoepen voor de taart klaar is. Aan tafel vulden we het menu graag aan: een bolletje ijs, wat room, kaneel… Van praten over eten krijg je vanzelf zin in iets lekkers.

We sloten af met nog een herfstgedicht van mij. Daarin werd eerst flink gezaagd over regen, Halloween en korte dagen. Maar uiteindelijk bleek ook het cocoonen onder iets warms zijn charme te hebben. Mijn stem begon het ondertussen op te geven. Ook dat lag volgens de tafel aan de herfst. Zo kreeg het seizoen toch nog het laatste woord.

LDC Albert Van Dyck – 8 september 2026

Ik had verhalen, limericks en een gedicht over de rommelmarkt meegebracht. September was begonnen, dus vroeg of laat zouden we wel bij school belanden. Maar eerst moesten we nog langs de tuin, de buren en een eigenwijze poes.

In mijn verhaal over Noortje trekt ze alle margrietjes uit de tuin. De paardenbloemen zijn volgens haar veel mooier: tegen een blaasbloem kan je blazen en dan mag je een wens doen. Dat herkenden we meteen. Een kind dat op weg van school bij elk bloemetje blijft stilstaan, ziet nu eenmaal iets anders dan een volwassene met een tuin vol onkruid.

Daarna las ik mijn nieuwe gedicht over de rommelmarkt voor. Een telefoon met draaischijf, een koffiemolen, een hoge hoed: voor je het weet, praat je over vroeger. Was alles toen beter? Daar waren we het niet zomaar over eens. Maar dat buren elkaar vaker kenden, samen buiten zaten en nog echt goeiedag zeiden, bleef hangen. Iemand vertelde dat een vroegere buur na acht jaar nog altijd belt. Soms blijft een straat een beetje van jou, ook als je er niet meer woont.

Minoes kwam ook nog langs. In mijn verhaal stoot ze niet één, maar twee koppen koffie om. Ik probeer het met een plastic beker, maar ook die belandt op de vloer. De beker blijft heel. De koffie niet. Dat bracht ons bij huisdieren met een eigen willetje. Een jack russell maakte vroeger op zijn eentje een wandelingetje en tikte bij thuiskomst met zijn poot tegen de deur. Alsof hij even om het blok was geweest om een boodschap te doen.

En toen was het toch tijd om terug naar school te gaan. Mijn limericks over de lessen Nederlands, geschiedenis en turnen brachten de schoolvakken terug aan tafel. De ene hield van wiskunde, de andere vond het een haatvak. Een fijne geschiedenisleraar maakte zijn lessen dan weer een stuk leuker. Bij turnen kwamen de trampoline, de bok en het verplichte lopen voorbij. Vijf kilometer rond de vaart, liefst binnen het halfuur. Zelfs de voetgangersbrug als sluipweg bleek bekend bij de leerkracht.

We lazen ook een gedicht over een kind dat voor het eerst naar de kleuterklas gaat. Daarmee kwamen herinneringen aan de schoolpoort boven: kinderen die meteen naar binnen liepen, kinderen die liever bij mama bleven, en ouders voor wie het afscheid minstens zo moeilijk was. Daarna volgden maan, roos, vis, het telraam en de lei met griffel. Ook de tijd waarin linkshandige kinderen met rechts moesten leren schrijven kwam ter sprake. Niet elke schoolherinnering is vrolijk.

Bij Will Tura’s De eerste schooldag was de stap naar zelf schrijven klein. We maakten twee elfjes. Het eerste begint bij school en eindigt met nog één keer zwaaien. In het tweede is het schooljaar alweer voorbij. Elf woorden per gedicht, en plots hadden we een heel schooljaar op papier.

Onze twee elfjes lees je hier.

Ik sloot af met een gedicht van Toon Hermans over de herfst. De herfstliefhebbers zagen al gekleurde bladeren en gezellige boswandelingen voor zich. Ik dacht vooral aan donkere dagen en weer naar school moeten. Gelukkig mag je daar bij Zilveren Verhalen verschillend over denken. En voor ons was het afscheid ook geen “tot volgend jaar”: we zien elkaar normaal al op de eerste dinsdag van de volgende maand.

LDC Albert Van Dyck – 7 juli 2026

Na enkele bijzonder warme dagen stond deze bijeenkomst bijna vanzelfsprekend in het teken van de zomer. We begonnen met Pas op voor de hitte van Annie M.G. Schmidt. Het speelse gedicht over juffrouw Scholten die letterlijk wegsmelt in de zon zorgde meteen voor lachende gezichten. Al snel volgden verhalen over ventilatoren, airco’s, warme flats en de vraag die iedereen zich deze dagen stelt: “Hoe geraak je die hitte door?” Sommigen verlangden al naar de herfst, anderen vonden de lente toch het mooiste seizoen. Iedereen bleek zo zijn eigen manier te hebben om met de warmte om te gaan.

Daarna waagde ik me aan iets nieuws. Voor het eerst las ik een verhaal voor dat niet door mezelf geschreven was, maar door mijn zus. Jef gaat dansen vertelt het verhaal van een onzekere jongen die leert walsen met het meisje waarop hij verliefd is. De deelnemers leefden zichtbaar mee met Jef. Sommigen herkenden meteen het lied Zie ik de lichtjes van de Schelde, anderen vertelden spontaan over bals, dansavonden en hoe belangrijk dansen vroeger was. Ook mijn zus kreeg onrechtstreeks mooie feedback: de groep vond het een warm en herkenbaar verhaal. (Oftewel ‘niet te melig’ en ‘lachwekkend’)

Van daaruit kwamen de herinneringen vanzelf. Er werd verteld over grote gezinnen waarin een uitstap naar zee allesbehalve vanzelfsprekend was. Een deelneemster vertelde hoe haar moeder negen kinderen had en vakantie daardoor een luxe was. Anderen haalden herinneringen op aan familie, jeugdvrienden, vakanties, scoutskampen en de kust. Oostende bleek voor velen nog altijd een plaats die warme herinneringen oproept.

Zoals wel vaker vormde poëzie de rode draad. We lazen drie zomerse elfjes uit Dichter bij de seizoenen en ontdekten hoe je met slechts elf woorden toch een volledig beeld kunt oproepen. Daarna schreef de groep zelf een zomers elfje. Het werd een eenvoudig maar vrolijk gedicht over zomer, warme temperaturen, samen naar het strand gaan en vooral… genieten. Een mooie illustratie dat een klein gedicht soms precies genoeg woorden bevat.

We sloten af met enkele zomerse limericks.

Opnieuw werd het een namiddag waarin verhalen, poëzie en herinneringen moeiteloos in elkaar overvloeiden. Niet de grote gebeurtenissen stonden centraal, maar de kleine momenten: een warme dag, een eerste dans, een familie met negen kinderen, een uitstap naar zee of een eenvoudig gedicht van elf woorden. Precies die kleine herinneringen maken samen een zomer die blijft nazinderen. ☀️

LDC Albert Van Dyck – 16 juni

Zilveren Verhalen in LDC Albert Van Dyck – 16 juni 2026

Sommige sessies beginnen met een plan. Andere beginnen met een vraag. Deze keer begon het met een versvorm uit Maleisië.

Ik bracht het gedicht De langste dag mee uit Dichter bij de seizoenen van Bette Westera. Het bleek een zogenaamde pantoum te zijn: een versvorm waarin regels telkens terugkeren en zo langzaam een verhaal opbouwen. We lazen samen over een reekalf dat verscholen ligt in het hoge gras, wachtend tot de langste dag eindelijk voorbij is. Daarna bekeken we ook een pantoum die ik eerder samen met deelnemers van De Nieuwe Kaai schreef over een fiets in de gracht en een bezoek aan de rommelmarkt.

Natuurlijk konden we het niet laten om het daarna zelf te proberen.

Maar eerst moesten we beslissen waarover we wilden schrijven. Voetbal viel al snel af – niet iedereen bleek even enthousiast over het WK. Uiteindelijk kwamen we uit bij iets veel dichterbij: de CaDo zelf.

Samen schreven we een pantun over het lokaal dienstencentrum. Over boeken, spelletjes, koken, babbelen en nieuwe mensen leren kennen. Wat begon als een eenvoudig gedichtje over een plek, groeide uit tot een gedicht over verbondenheid. Zinnen als “Ik ben niet alleen” en “Zo maak ik connectie” kwamen spontaan uit de groep en vormden de emotionele kern van het gedicht.

Na het schrijven doken we in herinneringen. We bladerden door Geboren in 1976, een boek vol gebeurtenissen uit de jaren tachtig. Boris Becker passeerde de revue, net als Bruce Springsteen, Madonna en zelfs de Bende van Nijvel. Sommige namen riepen meteen herinneringen op, andere zorgden vooral voor verwondering over hoe snel de tijd voorbijgaat.

Muziek mocht natuurlijk niet ontbreken. We luisterden naar Born in the USA van Bruce Springsteen en later naar Madonna. Zoals wel vaker bleek muziek een prachtige sleutel naar herinneringen.

Daarnaast las ik verschillende gedichten voor uit De lente bloeit van Angela Harding. We stonden stil bij Waarom ik vroeg opsta van Mary Oliver, een ode aan de zon en het begin van de dag. Daarna volgde een gedicht over narcissen die als kleine zonnetjes de lente aankondigen. Ook mijn eigen limerick over de barbecue passeerde even de revue, nadat het gesprek spontaan richting zomerse feestjes en tuinplezier was afgedwaald.

Dat bracht ons vanzelf bij het tweede groepsgedicht van de dag.

De lente loopt op haar einde en de zomer staat voor de deur. De deelnemers vertelden hoe de zon mensen vrolijker maakt, hoe sporters weer naar buiten komen, hoe de winterjas eindelijk opgeborgen kan worden en hoe fietsen, wandelen en zwemmen weer lonken. Een gesprek over barbecueën mondde uit in een onverwacht poëtische slotzin: misschien is er niet altijd plaats voor een barbecue, maar wel voor de zomer in ons hart.

Tussendoor werd er ook uitgebreid verteld over lezen, bibliotheken, schooltijd, uniformen, breien, werken in de zorg, familiehulp en de keuzes die mensen maakten in hun loopbaan. Het waren verhalen die soms grappig, soms ontroerend en vaak heel herkenbaar waren.

We sloten af met een klassieker uit de Vlaamse poëzie: Avondliedeke van Alice Nahon. Hoewel het nog lang geen avond was, bleek het een mooie manier om samen terug te kijken op een warme voormiddag vol verhalen.

En misschien bleef één uitspraak nog het langst hangen. Tijdens een gesprek over ouder worden vertelde een deelnemer een oude wijsheid die ze ooit had gehoord:

“Het komt er niet op aan hoe oud je wordt, maar hoe je oud wordt.”

Een mooie gedachte om mee naar huis te nemen — en misschien wel het mooiste cadeautje van de groep die dag. ❤️

Pantoum Cado

Ik ga graag naar de Cado
Ik ben nu een gedicht aan het maken.
Ik zie veel boeken.
We spelen spelletjes, babbelen, koken.

Ik ben nu een gedicht aan het maken.
Het doet me nadenken over dingen.
We spelen spelletjes, babbelen, koken.
Dat vind ik leuk.

Het doet me nadenken over dingen
Ik leer mensen kennen.
Dat vind ik leuk
Ik ben niet alleen.

Ik leer mensen kennen.
Zo maak ik connectie.
Ik ben niet alleen.
Afscheid nemen is niet altijd fijn.

Zo maak ik connectie
Ik zie veel boeken
Afscheid nemen is niet altijd fijn.
Ik ga graag naar de CaDo.

Als het maar een mooie zomer wordt

Zomer maakt de mensen vrolijker.
De jeugd gaat naar festival.
De sporters komen buiten.
Weg is de winterjas.
Wij gaan zwemmen, wandelen en fietsen.

's Avonds een lekkere BBQ,
we hebben er geen plaats voor,
op deze kleine studio.
Maar zeker wel de plaats
voor de zomer in ons hart.