
We begonnen met verhalen en gedichten over de zomer, tuinen en dieren. Ik las het verhaal over Noortje, die tijdens het wieden alle margrietjes uit de tuin trok. Volgens haar waren paardenbloemen immers veel mooier: daarop kan je blazen én een wens doen. Daarna volgden het bekende gedicht Jantje zag eens pruimen hangen, een verhaal over de eigenwijze poes Minoes en Onder de appelboom van Rutger Kopland.
De verhalen over Minoes brachten herinneringen aan vroegere huisdieren naar boven. Zo was er een straatkat die een plaatsje in de tuin vond en daar – nadat ze eten kreeg – maar al te graag bleef plakken. Ook Lassie passeerde de revue. Want welke naam geef je anders aan een hond?
Ik las vervolgens twee zomerse elfjes voor. Die konden niet iedereen overtuigen. “Stuur ze maar terug van waar ze gekomen zijn.” Goed dan. Zelf schrijven!
We vertelden eerst wat ons aan de zomer deed denken: goed weer, buiten zitten, verlof, aardbeien, fruit en ijsjes. Daarna probeerden we al die woorden te laten rijmen.
Wat rijmt er bijvoorbeeld op verlof?
“Gezellig.”
Niet helemaal.
“Tof!”
Dat wel.
Wat rijmt er op ijsjes?
“Meisjes!”
En zo ontstond ons eerste groepsgedicht.
“Wij hebben talent!”
“Zonder een vent!”
Nu zaten er ook twee mannen in de groep, dus helemaal correct was die laatste toevoeging niet. Goed gevonden was ze wel. 😉
Na Laat de zon in je hart van Willy Sommers las ik enkele van mijn eigen rijmpjes over koffie en het huishouden. De robotstofzuiger, het strijkijzer, de afwas en zelfs een verstopte wc: werkelijk alles kan poëzie worden.
Toen ik vroeg welke huishoudelijke taak men het liefst deed, kwamen we bij koken terecht. Daar schreven we een elfje over.
Als er gekookt wordt, volgt natuurlijk ook de afwas, maar daarna naar huis? Misschien waren we op restaurant gaan eten, konden we niet betalen en moesten we daarom eerst de afwas doen. Wie zal het zeggen?
Buiten koken mocht eveneens niet ontbreken:
Drie elfjes na elkaar. Ze hadden de vorm duidelijk onder de knie.
Amen en uit
Bij de muziek hoorden we onder andere Laat ons een bloem en Aan het strand van Oostende. Ik las nog een gedicht over koken, aardbeienconfituur en puree. Daarna waagden we ons opnieuw aan een pantoum.
Een pantoum telt twintig regels, waarbij verschillende regels telkens terugkeren. We begonnen met koken en voegden gaandeweg appelspijs, aardappeltjes en een stukje kip toe. De aardappelen konden gebakken of gepureerd worden. Uiteindelijk voelden we ons meer dan voldaan. Lees het pantoum hier.
Smelten, dansen en spreekwoorden
Van Annie M.G. Schmidt las ik Pas op voor de hitte, waarin juffrouw Scholten op de Dam volledig smelt. Ook het ondeugende gedicht over een regenworm die vooral níét naar zijn moeder luistert, viel in de smaak.
Met Als de zon schijnt bleven we nog even in de zomerse sfeer. Daarna lazen we over kampeercursussen en bermtoerisme van vroeger uit het boek In mijn tijd. De groep herinnerde zich caravans, maar zomaar langs een drukke weg gaan zitten om naar de auto’s te kijken? Dat zou tegenwoordig niet meer kunnen.
Tot slot testte ik een hele reeks spreekwoorden. Dat bleek bijna te gemakkelijk. De beste stuurlui staan aan wal, wie wind zaait oogst storm en ieder huisje heeft zijn kruisje. Alleen In het land der blinden is éénoog koning zorgde even voor twijfel.
We eindigden met een gedicht over geluk. Geluk zit soms in een liedje, een danspas of de afwas die iemand anders voor je doet.
Maar geluk zit blijkbaar ook in samen rijmen en dichten.
Zonder uw gat op te lichten.









