



Hier staan de reacties, gedichten en verhalen van de Zilveren Vertellers van wzc De Vliet te Turnhout





Verhalen die herinneringen wakker maakten
We begonnen met het verhaal over Noortje, die in de tuin de margrietjes uitplukt en de paardenbloemen laat staan: voor haar zijn juist die bloemen bijzonder, omdat je er een wens mee kunt doen. Het gesprek ging verder over tuinen, onkruid en het werk dat een tuin met zich meebrengt. Het lied “Ach Margrietje” van Louis Neefs sloot daar mooi op aan; enkele deelnemers herkenden het meteen en zongen spontaan mee.
Daarna las ik mijn gedicht over de rommelmarkt voor. Oude telefoons, koffiemolens en andere spullen brachten ons bij de vraag of dingen vroeger steviger waren. Een deelnemer vertelde over werk als drukker en over hoe anders het leven en werken toen georganiseerd waren. Ook het verhaal over Minoes, de poes die telkens een tas koffie van tafel gooit, lokte herkenning en een gesprek over huisdieren uit.
Terug naar de klas
Met twee korte gedichten over Nederlands en lichamelijke opvoeding kwam het gesprek op school. Deelnemers vertelden over graag naar school gaan, een strenge meester, bang zijn voor straf en de leeftijd waarop kinderen vroeger gingen werken. Niet iedereen had dezelfde schoolervaring: juist die verschillen maakten het gesprek levendig. We luisterden ook naar het lied van Will Tura over de eerste schooldag.
Vervolgens schreven we samen gedichten. De woorden kwamen uit de groep: “genoeg straf”, “snotneus” en het ferme “Nondeju!” gaven het eerste gedicht zijn eigen toon. Bij spijbelen kwamen zowel “nooit gedaan” als “nooit geen schrik” voorbij. De grote vakantie eindigde dan weer met een droog “Amen.”
Een muzikale afsluiter
We luisterden nog naar een gedicht over een eerste schooldag, het verhaal van de spin Sebastiaan van Annie M.G. Schmidt en werk van Toon Hermans. Zijn stem en liedjes riepen herkenning op. Op vraag van de groep eindigden we met meer muziek. Bij het afscheid vertelde een deelnemer dat er door de sessie “van alles terug” in haar hoofd was gekomen. Een ander vatte het treffend samen: “Terug in de klas.”

We begonnen met verhalen en gedichten over de zomer, tuinen en dieren. Ik las het verhaal over Noortje, die tijdens het wieden alle margrietjes uit de tuin trok. Volgens haar waren paardenbloemen immers veel mooier: daarop kan je blazen én een wens doen. Daarna volgden het bekende gedicht Jantje zag eens pruimen hangen, een verhaal over de eigenwijze poes Minoes en Onder de appelboom van Rutger Kopland.
De verhalen over Minoes brachten herinneringen aan vroegere huisdieren naar boven. Zo was er een straatkat die een plaatsje in de tuin vond en daar – nadat ze eten kreeg – maar al te graag bleef plakken. Ook Lassie passeerde de revue. Want welke naam geef je anders aan een hond?
Ik las vervolgens twee zomerse elfjes voor. Die konden niet iedereen overtuigen. “Stuur ze maar terug van waar ze gekomen zijn.” Goed dan. Zelf schrijven!
We vertelden eerst wat ons aan de zomer deed denken: goed weer, buiten zitten, verlof, aardbeien, fruit en ijsjes. Daarna probeerden we al die woorden te laten rijmen.
Wat rijmt er bijvoorbeeld op verlof?
“Gezellig.”
Niet helemaal.
“Tof!”
Dat wel.
Wat rijmt er op ijsjes?
“Meisjes!”
En zo ontstond ons eerste groepsgedicht.
“Wij hebben talent!”
“Zonder een vent!”
Nu zaten er ook twee mannen in de groep, dus helemaal correct was die laatste toevoeging niet. Goed gevonden was ze wel. 😉
Na Laat de zon in je hart van Willy Sommers las ik enkele van mijn eigen rijmpjes over koffie en het huishouden. De robotstofzuiger, het strijkijzer, de afwas en zelfs een verstopte wc: werkelijk alles kan poëzie worden.
Toen ik vroeg welke huishoudelijke taak men het liefst deed, kwamen we bij koken terecht. Daar schreven we een elfje over.
Als er gekookt wordt, volgt natuurlijk ook de afwas, maar daarna naar huis? Misschien waren we op restaurant gaan eten, konden we niet betalen en moesten we daarom eerst de afwas doen. Wie zal het zeggen?
Buiten koken mocht eveneens niet ontbreken:
Drie elfjes na elkaar. Ze hadden de vorm duidelijk onder de knie.
Bij de muziek hoorden we onder andere Laat ons een bloem en Aan het strand van Oostende. Ik las nog een gedicht over koken, aardbeienconfituur en puree. Daarna waagden we ons opnieuw aan een pantoum.
Een pantoum telt twintig regels, waarbij verschillende regels telkens terugkeren. We begonnen met koken en voegden gaandeweg appelspijs, aardappeltjes en een stukje kip toe. De aardappelen konden gebakken of gepureerd worden. Uiteindelijk voelden we ons meer dan voldaan. Lees het pantoum hier.
Van Annie M.G. Schmidt las ik Pas op voor de hitte, waarin juffrouw Scholten op de Dam volledig smelt. Ook het ondeugende gedicht over een regenworm die vooral níét naar zijn moeder luistert, viel in de smaak.
Met Als de zon schijnt bleven we nog even in de zomerse sfeer. Daarna lazen we over kampeercursussen en bermtoerisme van vroeger uit het boek In mijn tijd. De groep herinnerde zich caravans, maar zomaar langs een drukke weg gaan zitten om naar de auto’s te kijken? Dat zou tegenwoordig niet meer kunnen.
Tot slot testte ik een hele reeks spreekwoorden. Dat bleek bijna te gemakkelijk. De beste stuurlui staan aan wal, wie wind zaait oogst storm en ieder huisje heeft zijn kruisje. Alleen In het land der blinden is éénoog koning zorgde even voor twijfel.
We eindigden met een gedicht over geluk. Geluk zit soms in een liedje, een danspas of de afwas die iemand anders voor je doet.
Maar geluk zit blijkbaar ook in samen rijmen en dichten.
Zonder uw gat op te lichten.



1. We gaan koken
2. in de keuken
3. of op het terras.
4. We eten graag appelspijs
5. in de keuken.
6. We voegen aardappeltjes toe.
7. We eten graag appelspijs.
8. We bakken nog een stukje kip.
9. We voegen aardappeltjes toe.
10. We bakken of pureren ze.
11. We bakken nog een stukje kip.
12. We voelen ons voldaan.
13. We bakken of pureren ze.
14. We kunnen weer gaan.
15. We voelen ons voldaan.
16. Amen en uit.
17. We kunnen weer gaan,
18. of op het terras.
19. Amen en uit.
20. We gaan koken.



Wandelen
Goed weer
Zingen en dansen
Aan het strand van
Oostende

Donderdag 11 juni was het zover: de eerste sessie van Zilveren Verhalen in De Vliet. Zoals bij elke nieuwe locatie was het in het begin wat aftasten. Wie was ik precies? Wat kwam ik doen? En wat mochten de deelnemers verwachten? En wie zou ik ontmoeten?
Dat voorzichtige aftasten maakte de voormiddag net bijzonder. Langzaam groeide het vertrouwen en ontstonden de eerste gesprekken. We praatten over huisdieren, geluk, beroepen, de lente en herinneringen van vroeger. Zoals steeds een lichte chaos, maar altijd warm. Er werd verteld over honden die liefde geven, katten die muizen vangen, werken als kapster, beenhouwer, schoenmaker of huisvrouw, en treinritten naar Oostende of Lier.
Samen schreven we twee elfjes. Het eerste ging over een poes die in de groentetuin van de buren op muizen jaagt. Het tweede over een trouwe hond die blaft, bijt en uiteindelijk vooral liefde brengt.
Later waagden we ons ook aan een pantoum, een dichtvorm waarbij regels telkens terugkeren. Dat leek in het begin ingewikkeld, maar samen kwamen we tot een vrolijk lentegedicht over een pint bier, zeven vrouwen, bloemen, zingen en vooral niet willen vallen. Humor was duidelijk nooit ver weg. Ikzelf doopte het Pantoum ‘Valpreventie’.
Ook geluk kwam uitgebreid aan bod. Toen ik vroeg wat geluk eigenlijk is, volgden mooie antwoorden. Eén deelnemer omschreef geluk als “een positieve ontploffing”. Wat een cadeau, mooier had ik het niet kunnen formuleren. Een ander vertelde dat geluk niet vanzelf komt en dat je er zelf voor open moet staan. Die gedachten vormden samen een nieuw groepsgedicht.
Wat me vooral bijblijft van deze eerste ontmoeting, is hoe snel mensen zichzelf soms verrassen. Verschillende deelnemers gaven aan dat ze niet wisten dat ze konden dichten. En toch ontstonden er in nauwelijks een uur tijd meerdere gedichten, vol humor, levenswijsheid en eigen ervaringen.
Een eerste kennismaking dus, maar meteen een geslaagde en gelaagde sessie. Ik kijk alvast uit naar het vervolg. Tot snel!

Ik zit in de zaal.
Ik drink een pint bier.
Ik zie zeven vrouwen.
De lente brengt de bloemen.
Ik drink een pint bier.
We worden vrolijk en zat.
De lente brengt de bloemen.
Het maakt ons blij!
We worden vrolijk en zat.
We beginnen te zingen.
Het maakt ons blij!
De kater maakt ons niet bang.
We beginnen te zingen,
maar we kunnen het niet goed.
De kater maakt ons niet bang.
We willen niet vallen,
maar we kunnen het niet goed.
Ik zie zeven vrouwen.
We willen niet vallen.
Ik zit in de zaal.

Schrijven over geluk is moeilijker dan ik dacht,
maar wacht, wacht, wacht, wacht, WACHT!
Geluk is een positieve ontploffing ondergaan
maar je moet er voor open staan,
het komt niet zomaar binnengewandeld in ons leven
het geluk blijft soms maar even...
Het is rap gedaan,
maar we blijven er voor gaan!