
Donderdag 11 juni was het zover: de eerste sessie van Zilveren Verhalen in De Vliet. Zoals bij elke nieuwe locatie was het in het begin wat aftasten. Wie was ik precies? Wat kwam ik doen? En wat mochten de deelnemers verwachten? En wie zou ik ontmoeten?
Dat voorzichtige aftasten maakte de voormiddag net bijzonder. Langzaam groeide het vertrouwen en ontstonden de eerste gesprekken. We praatten over huisdieren, geluk, beroepen, de lente en herinneringen van vroeger. Zoals steeds een lichte chaos, maar altijd warm. Er werd verteld over honden die liefde geven, katten die muizen vangen, werken als kapster, beenhouwer, schoenmaker of huisvrouw, en treinritten naar Oostende of Lier.
Samen schreven we twee elfjes. Het eerste ging over een poes die in de groentetuin van de buren op muizen jaagt. Het tweede over een trouwe hond die blaft, bijt en uiteindelijk vooral liefde brengt.
Later waagden we ons ook aan een pantoum, een dichtvorm waarbij regels telkens terugkeren. Dat leek in het begin ingewikkeld, maar samen kwamen we tot een vrolijk lentegedicht over een pint bier, zeven vrouwen, bloemen, zingen en vooral niet willen vallen. Humor was duidelijk nooit ver weg. Ikzelf doopte het Pantoum ‘Valpreventie’.
Ook geluk kwam uitgebreid aan bod. Toen ik vroeg wat geluk eigenlijk is, volgden mooie antwoorden. Eén deelnemer omschreef geluk als “een positieve ontploffing”. Wat een cadeau, mooier had ik het niet kunnen formuleren. Een ander vertelde dat geluk niet vanzelf komt en dat je er zelf voor open moet staan. Die gedachten vormden samen een nieuw groepsgedicht.
Wat me vooral bijblijft van deze eerste ontmoeting, is hoe snel mensen zichzelf soms verrassen. Verschillende deelnemers gaven aan dat ze niet wisten dat ze konden dichten. En toch ontstonden er in nauwelijks een uur tijd meerdere gedichten, vol humor, levenswijsheid en eigen ervaringen.
Een eerste kennismaking dus, maar meteen een geslaagde en gelaagde sessie. Ik kijk alvast uit naar het vervolg. Tot snel!
