Bremdael – 27 november 2025

Voorlezen voor alle leeftijden

In het kader van de Voorleesweek stond deze sessie in Bremdael helemaal in het teken van luisteren. Want voorlezen is niet alleen iets voor kinderen — het is er voor iedereen. Zeker wanneer lezen moeilijker wordt, of wanneer woorden beter binnenkomen als iemand ze voor je draagt.

We begonnen zacht, met herkenbare en warme gedichten. “Ik ben blij met jou” zette meteen de toon: eenvoudige beelden, duidelijke taal, en een glimlach die vanzelf kwam. Daarna volgde een gedicht over handen — handen die ouder worden, maar nog altijd weten waarvoor ze dienen: om vast te houden, te aaien, nabij te zijn. Dat zorgde voor herkenning en kleine, liefdevolle reacties in de groep.

Troost kwam binnen met het gedicht “Wat helpt?” van Stijn De Paepe. Een lange opsomming van alles wat zou kunnen helpen wanneer het moeilijk gaat — vloeken, bidden, huilen, praten, zwijgen — en vooral de geruststelling dat er geen juiste manier is. Doe ondertussen maar wat helpt. Er werd aandachtig geluisterd; dit was zo’n tekst die tijd nodig heeft, en die ook kreeg.

Naast luisteren was er ook ruimte om zelf te schrijven. We maakten samen een elfje rond het thema school — herinneringen die meteen naar boven kwamen, met juffrouwen, braaf zijn, en af en toe ook een beetje deugniet zijn. Het resultaat werd eenvoudig en oprecht elfje.

Daarna bleef het voorlezen centraal staan. Bekende gedichten uit de schooltijd kwamen voorbij, zoals De Pruimenboom en Het is goed in ’t eigen hart te kijken. Gedichten die velen nog herkenden, of die minstens een vertrouwd gevoel opriepen. Er werd gelachen, gereageerd, en af en toe stil geluisterd.

Ook humor kreeg zijn plek, met luchtigere teksten en herkenbare situaties. En via verhalen en gedichten over ouder worden, liefde en het dagelijkse leven ontstonden vanzelf kleine gesprekken — niet geforceerd, maar gewoon omdat woorden soms iets losmaken.

We sloten af zonder haast. Niet alles hoeft “af” te zijn in één sessie. Soms is het genoeg er samen geluisterd werd, en dat er even ruimte was om te zijn wie je bent — met herinneringen, met aandacht, met een glimlach.

✨ Zo werd het ook in Bremdael een waardevolle voorleesnamiddag.
Minder zelf schrijven deze keer, maar des te meer gedeelde woorden. En uiteindelijk is dát waar het om draait.

Sint Lucia – 27 november 2025

Heeft het een ziel?

Soms begint een sessie met een klein gedichtje (“Ik ben blij met jou.” van Marianne Busser en Ron Schröder) en eindigt ze met een grote vraag.

Eerst kwam nog troost op tafel met het prachtige gedicht Wat helpt? van Stijn De Paepe: een lange lijst mogelijkheden (vloeken, bidden, huilen, praten, lopen, zwijgen…) die eigenlijk maar één boodschap draagt: doe ondertussen maar wat helpt. Er werd geluisterd, geknikt, en ook gelachen — want in die opsomming zit tegelijk een soort luchtigheid die spanning wegneemt.

Daarna werd de aandacht heel natuurlijk naar woorden getrokken. Ik las een kort zelfgeschreven gedicht over het tekort aan woorden (afasie), en precies dát bracht ons bij de kernvraag van de voormiddag:

Wanneer is een gedicht eigenlijk goed?

Eén iemand zei het meteen raak:

“Als een gedicht goed is, is het alsof het er altijd al geweest is.”
Alsof je het niet “maakt”, maar “vindt”. Alsof je even een medium wordt dat iets opvangt en neerschrijft.

Een ander voegde er iets aan toe dat minstens even belangrijk voelde:

“Een gedicht is goed als er een ziel in zit. Als het uit iemand zijn buik komt.”
Niet rijmen om te rijmen. Niet presteren om te presteren.
Maar iets dat raakt — al is het soms pas bij een tweede of derde lezing, zoals bij een schilderij, een film, of een liedje dat je pas later écht hoort.

We spraken over schrappen (ballast weg!), over de essentie, over hoe kunst soms ontstaat door weg te nemen in plaats van toe te voegen. En dan besloten we: als we het toch over gedichten hebben… dan schrijven we er samen één.

Het groepsgedicht vind je hier.

Na het schrijven was er nog ruimte om te genieten van enkele bekende gedichten — alsof we even mochten proeven van verschillende smaken taal. Van het “Avondliedeke III” van Alice Nahon (tijdloos, werd gezegd), tot het beeldende gedicht over het echtpaar in de trein van Willem Wilmink (“Echtpaar op de trein”), en de wonderlijke vertraging van Vasalis (“Tijd”).

En ook humor mocht niet ontbreken: het ultrakorte liefdesgedicht van Vondel — “U nu” — zorgde voor gegniffel en commentaar, zoals alleen een groep Zilveren Vertellers dat kan.

We sloten af met dankbaarheid en een gevoel dat niet luid hoefde te zijn om echt te zijn:
een sessie waarin woorden niet moesten imponeren, maar gewoon mochten landen.

✨ Zo werd het een weer een mooie sessie. Deze keer met minder eigen verhalen, want in het kader van de Voorleesweek. Maar zolang het moment samen maar waardevol is, maakt het weinig uit wat we lezen, wel dat we lezen.

📸 Wanneer vindt jij een gedicht écht goed? Heb je een favoriet?
👉 Deel het gerust via info@zilverenverhalen.be

(geen titel)

Heeft het een ziel…
Bestaat het al…
dan zullen we voelen.

Geforceerd rijmen…
Zomaar om te presteren…
dat zullen we afwijzen.

Een buikgevoel volgen…
Schrappen wat niet past…
zo raken harten vervuld.

Nieuwe Kaai – 14 november 2025

Appeltaart, honden en muziek voor het gemoed

Soms begint een namiddag al meteen met een glimlach. Deze keer was dat dankzij een eenvoudig, maar raak gedicht: “Ik ben blij met jou.” van Marianne Busser en Ron Schröder. Een vis is blij met water, een eskimo met kou, een bloempje met de bijtjes – en wij, wij waren die namiddag vooral blij met elkaar. Het zette meteen de toon: samen zijn, samen luisteren en samen lachen.

Daarna doken we een verhaal in over… appeltaart uit het boek Ik weet nog goed van Joke de Jonge. Niet zomaar een taart, maar “de lekkerste appeltaart van heel de wereld”, met vlechtwerk bovenop en rozijntjes in het deeg. Terwijl Truus en Piet in het verhaal herinneringen ophaalden, gebeurde dat rond de tafel ook: wie bakte er vroeger zelf? Wie mocht er van het deeg proeven? Het was bijna alsof we de geur van versgebakken taart écht konden ruiken. Ik kreeg bijna naar mijn voeten dat ik zo’n appeltaart niet gewoon had meegebracht.

We lazen ook een stukje non-fictie over vroeger uit het boek In mijn tijd van Elke Uijtewaal, toen jongeren soms hun tanden lieten trekken en een kunstgebit kregen als “cadeau”. Dat zorgde voor verbaasde reacties, herkenning én wat gegrom richting tandarts. Het contrast met nu – fluoride, tandpasta, betere tandzorg – zorgde voor gesprekjes over snoepen, tanden poetsen en bang zijn voor de tandarts.

Daarna kwam de koffie aan de beurt. Eerst in de vorm van een limerick, daarna via een herkenbaar Nederlandstalig liedje, één kopje koffie van V.O.F. De Kunst. Koffie als opstarter van de dag, als troost, als beetje “gezelligheid in een tas”: iedereen had er wel een gedachte of herinnering bij. Muziek hielp om de verhalen los te maken – en om af en toe zacht mee te neuriën.

Een langer verhaal over bingo en een flamingo bracht dan weer humor én ontroering samen. Wat begint als een spelletje met een gekke hoofdprijs, groeit uit tot een verhaal over vriendschap, gezien worden en zachter worden voor elkaar. Herkenbaar in een woonzorgcentrum, waar kleine gebaren en samen spelletjes spelen vaak méér betekenen dan je op het eerste gezicht denkt.

In het tweede deel van de sessie gingen we zelf aan het schrijven. Eerst maakten we samen een gedicht over wandelen in het bos met de honden: de vrijheid, de zorg om ze niet kwijt te raken, en de simpele vreugde van zo’n herfstdag. Even later volgde een tweede groepsgedicht over muziek – hoe die altijd goed doet, zeker als je wat slechtgezind bent. De woorden kwamen stap voor stap, maar de ideeën waren duidelijk: natuur, dieren, muziek en herinneringen doen allemaal deugd.

Tussendoor hadden we het over de winter die eraan komt: sneeuwmannen bouwen, glibberige wegen, bang zijn om met de auto of fiets de baan op te moeten, maar ook de schoonheid van een sneeuwtapijt en het kinderlijke plezier van in de sneeuw spelen. Een gedicht over de vijf zintuigen nodigde uit om te praten over wat we graag ruiken, horen, zien, voelen en proeven – van sneeuwpret tot chocolaatjes.

We sloten weer af met een gedicht over geluk: niet als iets groots en ongrijpbaars, maar in kleine dingen. Een glimlach, iemand die de afwas doet, een danspas, een liedje. Geluk in een verhaal, een kop koffie, een herinnering, een grap, een deelmoment in de zithoek.

✨Zo werd het opnieuw een warme sessie vol geluksmomentjes. Gaat het echt over die flamingo in dat ene verhaal? Is de koffie die rijmt écht zo belangrijk? Neen, vooral connectie maken, écht met elkaar spreken en luisteren, dat is belangrijk. De zilveren verhalen geven alleen een aanzet.

📸 Wat geeft jou net dat duwtje in de rug om echt in connectie te gaan?

👉Deel het gerust via info@zilverenverhalen.be en blijf het vooral gewoon doen en ervaren!

5 zintuigen

Soms ligt er wat op m’n tong.
Ik proef mijn woorden.
Niets op het puntje en zeker geen hart. Ik proef.
Ik proef alles.
Ik houd me nu aan m’n woord
dat ik tijd heb.

Soms zit er iets in m’n oren.
Ik hoor jouw stem.
Geen herinnering of waan. Ik hoor.
Ik hoor alles.
Ik hoor weer thuis.
waar ik eerder verloren was.

Soms zit er iets in m’n neus.
Ik kan weer ruiken.
Geen gepeuter of stank. Ik ruik.
Ik ruik de wereld.
Ik ben een ruiker
Dat de wereld mooi ruikt met jou erin.

Soms zit er iets op m’n huid.
Het zijn de kriebels.
Geen kippenvel of jeuk. Ik voel.
Ik voel alles.
Ik voel me geborgen
In jouw armen.

Soms zit er iets in m’n ogen.
Ik zie de wereld dan.
Geen roze bril of blinde vlek. Ik zie.
Ik zie alles.
Ik ben de ziener.
Jou zie ik het liefst van al.


Bingo


Het was een gewone spelnamiddag in het rusthuis.
Ze speelden het simpele spelletje bingo.
Iedereen bad echter en sloeg continu een kruis.
De hoofdprijs was namelijk een flamingo.

De nummers afroepen ging voor iedereen te traag.
Ze wilden allemaal winnen,
maar vooral Charel wou de flamingo heel graag.
Voor hem kon de pret dan pas beginnen.

Hij wou de flamingo wat blauwe druiven voeren.
Om eens te kijken of het beest anders zou kleuren.
Hij wou met het blauwe dier dan gaan toeren.
Zodat mensen voor geld de flamingo konden keuren.

Charel kon niet altijd goed volgen tijdens het spel.
Hij was namelijk zenuwachtig voor wat komen zou.
Het was een geniaal plan, dat wist hij wel,
maar wat als die flamingo anders zou kleuren dan blauw.

Hij was zo ontzettend aan het zweten,
daardoor miste hij het nummertje 10.
Hij kon niet zeggen hoe ze heette,
maar zijn buurvrouw had dat gezien.

Eigenlijk was haar hulp een wonder.
Iedereen dong namelijk zo naar de hoofdprijs.
Dat maakte haar meteen zo bijzonder.
Bovendien was Charel eigenlijk nogal eigenwijs.

Hij zou nooit een ander willen helpen met iets.
Zeker geen vrouw waarvan hij de naam niet wist
Dus hij was stomverbaasd en zei helemaal niets.
Ze vroeg: ‘Ga je nog danku zeggen of ga je chagrijnig in de kist?’

Hij mompelde iets, maar het was geen uiting van dankbaarheid.
Ze zei: ‘Ik durf nooit goed roepen als ik een volle kaart bereik,
dat ik toch mee doe is puur voor de bezigheid.
Het is daarom dat ik wat met jou meekijk.’

Charel herpakte zich toen gauw.
‘Ik kan mijn eigen flamingo winnen’,
zei hij met een gemene snauw,
‘Met mee loeren moet je dus niet beginnen!’

‘Ga jij gerust verder met sukkelen en grommen,
Dan volg ik de afgeroepen nummertjes wat.’
Hij riep heel luid ‘godverdomme!’.
Toen ze zei: ’14 is net geweest, wist je dat?’

‘Waarom wil jij per se een flamingo?
Ik kan er effectief iets mee bereiken.
Jij doet enkel voor de lol mee met bingo,
zodat je tijd wat zou verstrijken.’

‘Je kent me misschien helemaal niet,
Ik heb je echter al een tijdje in het oog.
Je vloekt en provoceert alsof niemand het hoort of ziet.
Maar luister nu naar mijn volgende betoog:

Je kan niets meer bereiken in het leven,
Dan zorg te dragen voor een ander persoon.
Ook al hebben wij nog maar even,
Ik vind die houding heel gewoon.

Je kan chagrijnig zijn en snauwen op ieder mens.
Ik snap dat het leven nog weinig voor je lijkt te bieden.
Toch heb ik voor jou nog een enkele wens:
Ik weet niet wat er in je leven al geschiedde.

Het was misschien ellende of verdriet.
Je lijkt me alleszins ontzettend moe.
Veranderen hoef je van mij niet.
Ik wens je gewoon wat meer vreugde toe

Laat me dus helpen met het winnen van die flamingo.
Ik volg de nummertjes voor jou.
En als we een volle kaart hebben met deze bingo.
Probeer dan luid te roepen zonder een snauw.’

De namiddag ging nog steeds traag voorbij.
Evengoed in stilte zaten ze naast elkaar.
Stiekem was hij wel blij
en apprecieerde hij haar woorden en gebaar.

Geen van beiden won spijtig genoeg de hoofdprijs.
Charel was vastberaden het beest dan gewoon te stelen.
Hij was tenslotte eigenwijs.
De andere ouderen waren niet zo rap maar wel met velen.

Hij vroeg haar voor de diefstal om wat afleiding.
Dus toen fakete ze een hartaanval.
Hij ging ervandoor, maar had met een rolstoel een aanrijding.
De botsing gaf een ongelooflijke knal.

De vrouw begon haar aanval te laten verzwakken.
De zorg was over dit herstel stomverbaasd.
Charel kreeg in de chaos het beest te pakken.
Hij had zich ontzettend gehaast.

Hij zweette nog erger dan daarvoor,
maar was zo fier als een pauw.
‘Nu kan ik er met de flamingo vandoor.’
‘Ik weet iets beters,’ zei de oude vrouw.

‘Laat het beestje toch gewoon vrij.
Dan kan het nog vliegen zijn verdere leven.
Dat maakt ons pas blij.
Want dan kunnen we een anders iets geven.’

Charel keek de vrouw ongemakkelijk aan.
Het was lang geleden en hij was wat onbekwaam,
Maar stamelend wou hij er toch voor gaan:
‘Wat is eigenlijk je naam?’

‘Ik ben Lieva zei ze toen, wie ben jij?’
Charel gaf toen ook zijn naam prijs.
‘Vanaf nu ben je niet meer alleen, maar is het wij.’
Die uitspraak bracht hem van de wijs.

Vanaf toen stal hij toch niet meer zo veel.
En hij leerde Lieva om wat luider te spreken,
ook al kreeg ze het daarvan in haar keel.
Ze hebben sindsdien niet meer van elkaars zijde geweken.


Zo zie je maar wat een spelletje bingo
in een mensenleven allemaal veranderen kan.
Het had ook wel wat te maken met die flamingo,
maar vooral met de liefde die voortvloeide ervan.