Winter

De sneeuw dwarrelt naar benee
kinderen op een slee
op de konijnenberg spelen
we waren met velen

door de wind op onze wangen
blijven we naar de lente verlangen,
door de koude naar school
een sjaal kwijt en een handschoen op de dool

winter is ijzel en gevaarlijke gladheid
Waar is de tijd?
de bloemen op de ruiten
toen was het pas koud buiten

voor de warmte zal de vuile kolenkachel aan moeten
klompen deden deugd aan onze voeten
ze leggen op de Leuvense stoof deden we ook
een gevaarlijk duveltje werd warm en had veel rook

nu zijn de winters minder eng
ze lijken minder streng,
maar we kunnen beter verwarmen en koken,
we moeten niet meer met hout of kolen stoken

Of het nu koud of warm is,
elke tijd heeft zijn charmes.





Beestenboel – sonnet

Kom kom kom kom.
Kom duifke.
Kom duifke.
Charel roept zijn duiven van buiten naar binnen.

Vooruit vooruit vooruit
Vooruit met die ezel.
Jef krijgt z’n ezel niet terug de wei in.

Kom kom kom kom.
Kom poezeke
Kom poezeke
Maria roept haar poes Cleo van buiten naar binnen

Vooruit vooruit vooruit
Vooruit met de geit.
Jef krijgt z’n geitjes niet terug in de stal.

Wat ‘n gedoe, wat ‘n lawaai, wat ‘n beestenboel.
Zonder onze dieren kunnen we niet.
Hond op schoot. Poes die van aaitjes geniet,
koeien melken of duiven spotten. Een goed gevoel!

Je roept fel naar de duiven of de kat.
Vooruit met de ezel, vooruit met de geit.
Je werkt hard voor je dieren, zonder spijt.
Want ze houden ook van jou, wist je dat?

een hagedis of vogelspin is tegenwoordig hip.
maar van zo’n huisdieren moet ik beven.
Ik houd van m’n poezen, vissen en gekke kip

Zo’n huisdier heb je niet voor even.
Je zorgt ervoor en zij voor jou in een dip.
Een huisdier heb je dus voor het leven!







De typmachine

Tik tik tik tik tik tik – TING.

Ik ram met m’n vingers op de typmachine. Opeens gaat er een belletje. Wat is dat nu?

Ik typ verder, maar dat lukt maar eventjes. Het einde van de lijn. Jahaa, dat is er dus aan de hand. Mijn vingers kunnen even rusten van het rammen op de toetsen terwijl ik zoek wat er mis is met dit rottig machine. Zucht. Het lukt niet.

MOEKE… MOOEEEKE…
Ik roep gefrustreerd, maar krijg geen antwoord.

Dus ga ik maar op zoek naar haar. M’n moeke staat de afwas te doen. Ik voel me wat ontspannen en glimlach zelfs bij dit zicht. Toch charmant hoe ze steeds de afwas blijft doen, terwijl vokke en moeke al jaren een afwasmachine hebben staan. Ze zegt altijd dat ze de geur van Dreft zo lekker vindt. Bovendien vindt ze het heerlijk om na de afwas haar droge huid in te smeren met Nivea uit dat blauwe blik.

“Moeke?” vraag ik. “De typmachine werkt niet meer.”

“Oei, schat, wat heb je ermee gedaan?”

“Ik weet het niet, moeke. Hij wil niet naar de volgende lijn gaan! Waar staat de knop ‘enter’?”

M’n moeke begint te grinniken. Ik voel m’n norsheid terugkomen. Wat is er zo grappig aan een kapotte typmachine? Ik wilde een mooie, authentieke, ouderwetse brief schrijven — of nu ja, typen — voor een project op school. Maar zo gaat dat niet en ik heb geen tijd te verliezen!

Ik draai me om en wandel mompelend terug naar het kleine bureautje waarop de grijze typmachine staat.

“Laat maar,” zeg ik. “Laat ook maar, met die brol van vroeger.”

M’n moeke volgt me. “Schat,” zegt ze, “een typmachine heeft zo geen toets. Je moet met de hendel werken om naar de volgende lijn te gaan.” Ze glimlacht geduldig en toont me hoe het moet.

“Dat is iets gek,” zeg ik. “Dat had ik nooit kunnen verzinnen.”

Weer grinnikt m’n moeke. “Ja, schat, dat is wat anders dan een computer.”

Ze begint me alle knopjes uit te leggen en toont me hoe ik hoofdletters moet zetten (alle toetsen opeens omhoog!) en hoe ik eventueel het inktlint moet vervangen. Ze vertelt, en ik luister geduldig. Ook al noemt m’n moeke mij ‘schat’, dit vind ik nu eens écht schattig. Ze is helemaal terug gekatapulteerd naar vroegere tijden, toen ze tijdens haar bureaujob brieven typte voor haar baas.

“Nooit een foutje maken,” dat was het moeilijkste. Want je kan niet gewoon teruggaan met een typmachine, zoals op de computer.

“Wat vind je dan van de computer van nu, moeke?” vraag ik.

“Ach, schat, dat is allemaal niet aan mij besteed. Ik kan snel typen, maar de computers van tegenwoordig gaan me iets te snel. Er is toch niets leukers dan alles rustig, op het gemak, een vooral zorgvuldig doen.”

“Zoals je de afwas graag doet, moeke?”

“Helemaal, schat. Ik ken alles van typmachines, maar weinig van afwasmachines. Maar voor mij hoeft dat allemaal niet. Jij hebt altijd ‘geen tijd te verliezen’. Wel, ik doe alles op ’t gemakske en geniet ervan. En mijn afwas is toch even proper?”

“Dat is waar, moeke. Je bent een krak.”

“Zo,” zegt ze, “typ nu maar je brief verder voor school. En je weet: geen foutjes maken.”

“Goed, moeke. En daarna kom ik helpen afdrogen. Doen we dat samen én zorgvuldig.”

Nieuwe Kaai – 9 januari 2026

9 januari voelde als een echte winter-namiddag: een mengeling van sneeuwverlangen, regenrealiteit, muziek, lachen… en vooral: veel woorden die mochten landen.

We begonnen poëtisch met Toon Hermans. Een gedicht over sneeuw die onverwacht valt — zelfs in april — en over liefde die tegelijk warm en koud kan zijn. Daarna dook ook zijn speelse ballonnetje op: licht, muzikaal, een beetje absurd en daardoor net zo ontwapenend. Even was het alsof er een draadje naar de zon in de kamer hing.

De winter bleef als thema aanwezig. In een grappige reeks ondersteboven” ging het van kerstboom-perikelen (met katten die de boel graag testen) tot het gekke idee dat het in Australië met Kerstmis zomer is. Dat leidde vanzelf naar reizen: hoe ver ben je ooit geweest? Spanje kwam al snel op tafel — en bij sommigen zelfs “elk jaar”. We schreven er een elfje over.

We luisterden ook naar Singin’ in the Rain: een heerlijk contrast met alles wat ik had voorbereid had over sneeuw. (De hele week sneeuw en toen regende het natuurlijk)

We probeerden daarna een fantasieverhaal met kaarten — en één keer lukte dat heerlijk:

Een vlinder en een dolfijn belandden naast de rivier, onze vlinder maakte zelfs honing, en de dolfijn vond dat (uiteraard) geweldig lekker.
Eind goed, al goed.

Een tweede poging met een enthousiaste kip en een verkouden slang bleef wat hangen. En dat was helemaal oké: niet elke combinatie vraagt om een verhaal — soms is “het komt vandaag niet” gewoon ook een eerlijk antwoord.

Daarna gingen we samen dichten over wat wél echt was vandaag: regen. We bouwden stap voor stap aan een lang rijmgedicht, vol herkenning: van “tik tik” tegen het raam tot regenjas, paraplu, humeur, en zelfs Armand Pien.

Er kwam nog tweemaal eigen werk. Over het verlangen naar zon én ook een gedicht over het verlangen naar sleeën.

We sloten af met een nieuwjaarsbrief: warm, speels, en met de wens om samen te blijven gaan. En ja—er kwam zelfs spontaan terug: “een zoen van je kapoen.”

✨ Een sessie met veel afwisseling: bekende poëzie, eigen werk, een geslaagd dierenverhaal, een groepsgedicht dat echt samen gedragen werd, en een klein stukje Spanje in de winter.

📸 Wat heeft jouw voorkeur: winter of zomer?

👉 Deel het gerust via info@zilverenverhalen.be

Nieuwjaarsbrief

Liefste,

Klop klop klop, een nieuw jaar staat voor de deur,
ik hoop op eentje zonder sleur.
2026 wordt het jaar waarop we blijven gaan,
en waarop we er voor elkaar staan!

Ik hoop op zon, elke dag,
iets waardoor ik toch steeds glimlach,
en als dat sneeuwen dan toch echt moet,
hoop ik geen sneeuwbal op je snoet!

Laten we het jaar samen goed inzetten,
en goed op elkaar letten.
Want vriendschap en elkaar graag zien,
dan verdubbelt je geluk met tien.

2025, ‘t is goed geweest ‘t is weer klaar!
Onze herinneringen gaan zachtjes mee naar 2026, het nieuwe jaar.
Laat ons genieten van de mooie momenten die zullen komen
en van nog vele vele mooie jaartjes dromen.

Een zoen van je kapoen.

Winter – sonnet


Van het jaar is dit seizoen maar een kwart.
Als de kou nu maar snel gaat verdwijnen,
begint de sneeuw wel weer weg te kwijnen.
Dan is er weer wat warmte in mijn hart.

Het prachtigste kwart komt dan snel binnen
met haar wilde bloesems aan de bomen.
Laat de lieve lente maar rap komen.
Ik wil aan een nieuw hoofdstuk beginnen.

Van dit kwart zie ik echt niet het mooie.
De winter is voor mij ‘t onbeminde.
Liefst zou ik dit seizoen nu weggooien.

Laat de warmte de sneeuw nu verslinden.
Denk da’k de diepvries nog moet ontdooien,
want daar is evenveel wit te vinden.

seizoenen

De herfst is nu weer voorbij.
De winter is toch gekomen.
De lente wordt beter voor mij.
De zomer ver in m’n dromen.

Laat de donkere dagen weg gaan.
Niet meer stil in verdriet.
Ik wil terug recht staan.
Iets zonnigs in het verschiet.

Mijn seizoenen cirkelen weer.
Ik wou dat ik leven beter kon.
Het lijkt alsof ik niets leer.
Mijn hoop is geluk in de zon.

opa opa

Opa, opa, ik wil een slee,
wil er een maken, doe je niet mee?
Ik wil op het ijs gaan glijden,
dat zal me zó verblijden.
Ik wil zelf ook aan de slee meewerken,
je zal er niets op kunnen aanmerken.
Ik wil op het ijs wat slibberen,
dan vergeet ik de kou waarvan ik moet bibberen.
Opa, opa, gaan we die slee nu maken,
voor de sneeuw plots gaat verzaken?
Ik wil geen regen meer,
ik wil vooral veel ijs op het meer!

Ondersteboven in drievoud

Ondersteboven I
De boom staat al lang in de living,
Maar plots loopt de kat erop! Botsing!
De kerstboom valt om,
kat maalt er niet om…
De piek nu in de foute richting.

Ondersteboven II
‘Ik vind je zo knap’ niet geloven.
Hij blijft zich voor oudjaar uitsloven.
En tóch is het waar,
dus zeg hem toch maar:
‘Van jou ben ik ondersteboven.’

Ondersteboven III
Heel ver hier vandaan zijn er landen
waar ’t zomert en de zon blijft branden.
Het is al te gek,
zo een verre plek
waar Kerstmis gevierd wordt op stranden.