Van herfstbladeren naar de danstent
Het is herfst, maar bij het begin van onze bijeenkomst in De Vliet schijnt de zon. We luisteren naar de herfst uit De vier seizoenen van Vivaldi. Ik noem het zware muziek, maar daar is niet iedereen het mee eens. “Een beetje luchtig”, klinkt het. “Hoppakee!” De toon is gezet.
Met een herfstgedicht van Toon Hermans kijken we naar wat dit seizoen mooi maakt. De kleuren van de bladeren, de bossen, het knisperen onder je voeten. Ook de huisspinnen horen erbij. “Daar ben ik niet bang van”, zegt iemand. Ik haal Sebastiaan van Annie M.G. Schmidt erbij. Het rijmt mooi, vinden we, al loopt het voor die eigenzinnige spin helaas minder mooi af.
Na een gedicht over regen, korte dagen en cocoonen onder een dekentje proberen we zelf een elfje te schrijven. Elf woorden, verdeeld over vijf regels. We beginnen met herfst en vallende bladeren. De kou komt ter sprake, maar dan belanden we bij kastanjes. “Ik eet liever noten”, klinkt het. Die zin krijgt meteen een plaats in ons gedicht. Over het laatste woord hoeven we niet lang na te denken.
Daarna gaan we dansen. Eerst met een gedicht, vervolgens met een verhaal over Jos, Hugo en Olga in een spiegeltent. Een beetje jaloezie, een misverstand en uiteindelijk toch een dansje. Wanneer ik vraag naar muziek waarop vroeger gedanst werd, wordt De blauwe Donau genoemd. We luisteren naar de wals. “Mooi, hè?”
Ook over de dansavonden schrijven we samen een gedicht. Deze keer wordt het een pantoum, waarin de regels telkens terugkomen. “Wij dansen graag”, is ons begin. En waar dansen we? In de danstent natuurlijk. Er zijn muzikanten, dansende mensen en “schoon benen”. De bijdragen komen vlot: we zijn in de stemming, hebben te veel gedronken en willen nog niet naar huis. Dat we ’s anderendaags ziek zullen zijn? “Dat vergeet je rap.” Zo groeit ons gedicht, regel na regel. Met Chérie van Eddy Wally blijven we nog even in de sfeer van de danstent.
Een gedicht over geluk brengt ons bij de kleine dingen. “Vooral de kleine dingen”, zegt iemand. Maar groot geluk mag ook. Alleen kunnen we niet elke dag grootvader worden of de lotto winnen. Bij mijn gedicht over de rommelmarkt praten we verder over vroeger en nu. Waren spullen vroeger steviger? En was alles toen beter? “Vroeger was het ook goed, maar nu is het beter”, klinkt het. “De tijd gaat vooruit.” “En we moeten mee.”
Er is nog ruimte voor een speels gedicht over weinig fut, een liefdesgedicht en een gedicht over dieren. We sluiten af met De lichtjes van de Schelde. Van herfstbladeren tot een danstent: vandaag hebben de woorden ons een heel eind meegenomen. Wanneer ik zeg dat ik nog eens terugkom, krijg ik een eenvoudig antwoord: “Dat is een goed idee.”