
Ik had verhalen, limericks en een gedicht over de rommelmarkt meegebracht. September was begonnen, dus vroeg of laat zouden we wel bij school belanden. Maar eerst moesten we nog langs de tuin, de buren en een eigenwijze poes.
In mijn verhaal over Noortje trekt ze alle margrietjes uit de tuin. De paardenbloemen zijn volgens haar veel mooier: tegen een blaasbloem kan je blazen en dan mag je een wens doen. Dat herkenden we meteen. Een kind dat op weg van school bij elk bloemetje blijft stilstaan, ziet nu eenmaal iets anders dan een volwassene met een tuin vol onkruid.
Daarna las ik mijn nieuwe gedicht over de rommelmarkt voor. Een telefoon met draaischijf, een koffiemolen, een hoge hoed: voor je het weet, praat je over vroeger. Was alles toen beter? Daar waren we het niet zomaar over eens. Maar dat buren elkaar vaker kenden, samen buiten zaten en nog echt goeiedag zeiden, bleef hangen. Iemand vertelde dat een vroegere buur na acht jaar nog altijd belt. Soms blijft een straat een beetje van jou, ook als je er niet meer woont.
Minoes kwam ook nog langs. In mijn verhaal stoot ze niet één, maar twee koppen koffie om. Ik probeer het met een plastic beker, maar ook die belandt op de vloer. De beker blijft heel. De koffie niet. Dat bracht ons bij huisdieren met een eigen willetje. Een jack russell maakte vroeger op zijn eentje een wandelingetje en tikte bij thuiskomst met zijn poot tegen de deur. Alsof hij even om het blok was geweest om een boodschap te doen.
En toen was het toch tijd om terug naar school te gaan. Mijn limericks over de lessen Nederlands, geschiedenis en turnen brachten de schoolvakken terug aan tafel. De ene hield van wiskunde, de andere vond het een haatvak. Een fijne geschiedenisleraar maakte zijn lessen dan weer een stuk leuker. Bij turnen kwamen de trampoline, de bok en het verplichte lopen voorbij. Vijf kilometer rond de vaart, liefst binnen het halfuur. Zelfs de voetgangersbrug als sluipweg bleek bekend bij de leerkracht.
We lazen ook een gedicht over een kind dat voor het eerst naar de kleuterklas gaat. Daarmee kwamen herinneringen aan de schoolpoort boven: kinderen die meteen naar binnen liepen, kinderen die liever bij mama bleven, en ouders voor wie het afscheid minstens zo moeilijk was. Daarna volgden maan, roos, vis, het telraam en de lei met griffel. Ook de tijd waarin linkshandige kinderen met rechts moesten leren schrijven kwam ter sprake. Niet elke schoolherinnering is vrolijk.
Bij Will Tura’s De eerste schooldag was de stap naar zelf schrijven klein. We maakten twee elfjes. Het eerste begint bij school en eindigt met nog één keer zwaaien. In het tweede is het schooljaar alweer voorbij. Elf woorden per gedicht, en plots hadden we een heel schooljaar op papier.
Onze twee elfjes lees je hier.
Ik sloot af met een gedicht van Toon Hermans over de herfst. De herfstliefhebbers zagen al gekleurde bladeren en gezellige boswandelingen voor zich. Ik dacht vooral aan donkere dagen en weer naar school moeten. Gelukkig mag je daar bij Zilveren Verhalen verschillend over denken. En voor ons was het afscheid ook geen “tot volgend jaar”: we zien elkaar normaal al op de eerste dinsdag van de volgende maand.