
Ik heb honger en goesting voor iets lekker.
Ik heb goesting in taart
Ik heb goesting in ijs met advocaat.
Geef mij maar friet van de kraam
Geef mij maar paling in ’t groen.
Geef mij maar een goei tas soep.
Daar moet ik het mee doen!
Ik heb dorst en zin in een milkshake.
Ik heb zin in water.
Ik heb zin in cappuccino met slagroom.
Geef mij maar een borrel.
Geef mij maar chocolademelk.
Geef mij maar thee.
Het zit me niet mee.
Vandaag is het boterhamworst
en wat koffie tegen de dorst.