Ik schrijf ansichtkaarten. Dat is een toverachtig Hollands woord. Een ansichtkaart komt uit het buitenland of uit het buurland. Over het weer schrijf ik je. Pen in m’n mond, niet in m’n hand. Jouw talenten houden me niet bezig. De temperatuur wel, warm of koud. Ik ben een navelstaarder. Ik schrijf over wat mij bezig houdt. Dat het bijzonder is dat je niet overal gewoon Nederlands hoort.
Elke vakantie opnieuw wordt een postkaart beloofd. Zelfs in België spreekt de helft nog geen Vlaams. Glimlach je? Een natte duim veegt choco van een mondhoek. Geniet van je dagje! De postzegel heeft ook zo’n likje nodig. En dan kan ie gaan. Mensen doen vaak alsof ze op hun eigen benen staan. Het adres vraagt een flits in m’n hoofd.
Ik zei laatst tegen iemand die al een tijdje naast me liep, schoenen versleten: “ik heb nog nooit zoveel van eens mens gehouden als van jou.” Het was niet eens een stralende dag. De lucht eerder grijs dan blauw. Zonder te verpinken iets romantisch bedoelen. Ik denk nu dat er nog andere manieren zijn om te voelen. Want zijn telefoonnummer heb ik nooit geweten.
Ik sta nu even stil. Ik heb mij al te dikwijls laten gaan. Je schrijft pilaren geen versjes. Die zijn er gewoon. Vanzelfsprekend - alsof het hun taak is, zonder loon - houden ze huizen, kastelen, zelfs mijn wereld recht. Een navelstreng wordt doorgeknipt, zo gezegd. Maar de band tussen jou en mij zal blijven bestaan.
Een gedachte over “Pilaar”