Nieuwjaarsbrief

Liefste,

Klop klop klop, een nieuw jaar staat voor de deur,
ik hoop op eentje zonder sleur.
2026 wordt het jaar waarop we blijven gaan,
en waarop we er voor elkaar staan!

Ik hoop op zon, elke dag,
iets waardoor ik toch steeds glimlach,
en als dat sneeuwen dan toch echt moet,
hoop ik geen sneeuwbal op je snoet!

Laten we het jaar samen goed inzetten,
en goed op elkaar letten.
Want vriendschap en elkaar graag zien,
dan verdubbelt je geluk met tien.

2025, ‘t is goed geweest ‘t is weer klaar!
Onze herinneringen gaan zachtjes mee naar 2026, het nieuwe jaar.
Laat ons genieten van de mooie momenten die zullen komen
en van nog vele vele mooie jaartjes dromen.

Een zoen van je kapoen.

Winter – sonnet


Van het jaar is dit seizoen maar een kwart.
Als de kou nu maar snel gaat verdwijnen,
begint de sneeuw wel weer weg te kwijnen.
Dan is er weer wat warmte in mijn hart.

Het prachtigste kwart komt dan snel binnen
met haar wilde bloesems aan de bomen.
Laat de lieve lente maar rap komen.
Ik wil aan een nieuw hoofdstuk beginnen.

Van dit kwart zie ik echt niet het mooie.
De winter is voor mij ‘t onbeminde.
Liefst zou ik dit seizoen nu weggooien.

Laat de warmte de sneeuw nu verslinden.
Denk da’k de diepvries nog moet ontdooien,
want daar is evenveel wit te vinden.

seizoenen

De herfst is nu weer voorbij.
De winter is toch gekomen.
De lente wordt beter voor mij.
De zomer ver in m’n dromen.

Laat de donkere dagen weg gaan.
Niet meer stil in verdriet.
Ik wil terug recht staan.
Iets zonnigs in het verschiet.

Mijn seizoenen cirkelen weer.
Ik wou dat ik leven beter kon.
Het lijkt alsof ik niets leer.
Mijn hoop is geluk in de zon.

opa opa

Opa, opa, ik wil een slee,
wil er een maken, doe je niet mee?
Ik wil op het ijs gaan glijden,
dat zal me zó verblijden.
Ik wil zelf ook aan de slee meewerken,
je zal er niets op kunnen aanmerken.
Ik wil op het ijs wat slibberen,
dan vergeet ik de kou waarvan ik moet bibberen.
Opa, opa, gaan we die slee nu maken,
voor de sneeuw plots gaat verzaken?
Ik wil geen regen meer,
ik wil vooral veel ijs op het meer!

Ondersteboven in drievoud

Ondersteboven I
De boom staat al lang in de living,
Maar plots loopt de kat erop! Botsing!
De kerstboom valt om,
kat maalt er niet om…
De piek nu in de foute richting.

Ondersteboven II
‘Ik vind je zo knap’ niet geloven.
Hij blijft zich voor oudjaar uitsloven.
En tóch is het waar,
dus zeg hem toch maar:
‘Van jou ben ik ondersteboven.’

Ondersteboven III
Heel ver hier vandaan zijn er landen
waar ’t zomert en de zon blijft branden.
Het is al te gek,
zo een verre plek
waar Kerstmis gevierd wordt op stranden.

Echtpaar

Er was eens een echtpaar uit Weelde, 
dat jaren al lief en leed deelde.
Zij vond hem zo lief,
Zij zijn hartedief.
’t Was Kerstmis dat hen haast verdeelde!

Hij wou aan haar eens iets moois geven.
Een trouwring! Da’s echt voor het leven.
In de kerstboom hing,
de dure trouwring.
Heel hoog bij de piek aan het zweven.

Maar op die noodlottige avond,
hun huwelijk bijna in de afgrond!
Hij kwam gewoon thuis,
er was iets niet pluis:
De boom was weg van waar hij eerst stond.

Zo kwaad op de vrouw van zijn dromen.
Hoe is het zover toch gekomen?
Hij riep: ‘kom nu, zeg:
Waarom de boom weg?
Wie heeft nu iets tegen kerstbomen?’

De Sint had het Weelds huis betreden!
De heilige man was tevreden,
Hij haatte zijn broer.
de kerstman zijn tour
is later. Dus wordt kerst vermeden.


Sint gooide de boom op de schroothoop.
Toen zag hij de trouwring. De nieuwkoop.
Hij had toen wat schroom,
terug met die boom.
Voor ’t echtpaar excuses. De afloop:

De trouwring was niet weggesmeten.
Of Toch niet met hun medeweten.
Het echtpaar ook schroom.
Te vroeg met de boom….
dat zullen ze nooit meer vergeten.

5 zintuigen

Soms ligt er wat op m’n tong.
Ik proef mijn woorden.
Niets op het puntje en zeker geen hart. Ik proef.
Ik proef alles.
Ik houd me nu aan m’n woord
dat ik tijd heb.

Soms zit er iets in m’n oren.
Ik hoor jouw stem.
Geen herinnering of waan. Ik hoor.
Ik hoor alles.
Ik hoor weer thuis.
waar ik eerder verloren was.

Soms zit er iets in m’n neus.
Ik kan weer ruiken.
Geen gepeuter of stank. Ik ruik.
Ik ruik de wereld.
Ik ben een ruiker
Dat de wereld mooi ruikt met jou erin.

Soms zit er iets op m’n huid.
Het zijn de kriebels.
Geen kippenvel of jeuk. Ik voel.
Ik voel alles.
Ik voel me geborgen
In jouw armen.

Soms zit er iets in m’n ogen.
Ik zie de wereld dan.
Geen roze bril of blinde vlek. Ik zie.
Ik zie alles.
Ik ben de ziener.
Jou zie ik het liefst van al.


Bingo


Het was een gewone spelnamiddag in het rusthuis.
Ze speelden het simpele spelletje bingo.
Iedereen bad echter en sloeg continu een kruis.
De hoofdprijs was namelijk een flamingo.

De nummers afroepen ging voor iedereen te traag.
Ze wilden allemaal winnen,
maar vooral Charel wou de flamingo heel graag.
Voor hem kon de pret dan pas beginnen.

Hij wou de flamingo wat blauwe druiven voeren.
Om eens te kijken of het beest anders zou kleuren.
Hij wou met het blauwe dier dan gaan toeren.
Zodat mensen voor geld de flamingo konden keuren.

Charel kon niet altijd goed volgen tijdens het spel.
Hij was namelijk zenuwachtig voor wat komen zou.
Het was een geniaal plan, dat wist hij wel,
maar wat als die flamingo anders zou kleuren dan blauw.

Hij was zo ontzettend aan het zweten,
daardoor miste hij het nummertje 10.
Hij kon niet zeggen hoe ze heette,
maar zijn buurvrouw had dat gezien.

Eigenlijk was haar hulp een wonder.
Iedereen dong namelijk zo naar de hoofdprijs.
Dat maakte haar meteen zo bijzonder.
Bovendien was Charel eigenlijk nogal eigenwijs.

Hij zou nooit een ander willen helpen met iets.
Zeker geen vrouw waarvan hij de naam niet wist
Dus hij was stomverbaasd en zei helemaal niets.
Ze vroeg: ‘Ga je nog danku zeggen of ga je chagrijnig in de kist?’

Hij mompelde iets, maar het was geen uiting van dankbaarheid.
Ze zei: ‘Ik durf nooit goed roepen als ik een volle kaart bereik,
dat ik toch mee doe is puur voor de bezigheid.
Het is daarom dat ik wat met jou meekijk.’

Charel herpakte zich toen gauw.
‘Ik kan mijn eigen flamingo winnen’,
zei hij met een gemene snauw,
‘Met mee loeren moet je dus niet beginnen!’

‘Ga jij gerust verder met sukkelen en grommen,
Dan volg ik de afgeroepen nummertjes wat.’
Hij riep heel luid ‘godverdomme!’.
Toen ze zei: ’14 is net geweest, wist je dat?’

‘Waarom wil jij per se een flamingo?
Ik kan er effectief iets mee bereiken.
Jij doet enkel voor de lol mee met bingo,
zodat je tijd wat zou verstrijken.’

‘Je kent me misschien helemaal niet,
Ik heb je echter al een tijdje in het oog.
Je vloekt en provoceert alsof niemand het hoort of ziet.
Maar luister nu naar mijn volgende betoog:

Je kan niets meer bereiken in het leven,
Dan zorg te dragen voor een ander persoon.
Ook al hebben wij nog maar even,
Ik vind die houding heel gewoon.

Je kan chagrijnig zijn en snauwen op ieder mens.
Ik snap dat het leven nog weinig voor je lijkt te bieden.
Toch heb ik voor jou nog een enkele wens:
Ik weet niet wat er in je leven al geschiedde.

Het was misschien ellende of verdriet.
Je lijkt me alleszins ontzettend moe.
Veranderen hoef je van mij niet.
Ik wens je gewoon wat meer vreugde toe

Laat me dus helpen met het winnen van die flamingo.
Ik volg de nummertjes voor jou.
En als we een volle kaart hebben met deze bingo.
Probeer dan luid te roepen zonder een snauw.’

De namiddag ging nog steeds traag voorbij.
Evengoed in stilte zaten ze naast elkaar.
Stiekem was hij wel blij
en apprecieerde hij haar woorden en gebaar.

Geen van beiden won spijtig genoeg de hoofdprijs.
Charel was vastberaden het beest dan gewoon te stelen.
Hij was tenslotte eigenwijs.
De andere ouderen waren niet zo rap maar wel met velen.

Hij vroeg haar voor de diefstal om wat afleiding.
Dus toen fakete ze een hartaanval.
Hij ging ervandoor, maar had met een rolstoel een aanrijding.
De botsing gaf een ongelooflijke knal.

De vrouw begon haar aanval te laten verzwakken.
De zorg was over dit herstel stomverbaasd.
Charel kreeg in de chaos het beest te pakken.
Hij had zich ontzettend gehaast.

Hij zweette nog erger dan daarvoor,
maar was zo fier als een pauw.
‘Nu kan ik er met de flamingo vandoor.’
‘Ik weet iets beters,’ zei de oude vrouw.

‘Laat het beestje toch gewoon vrij.
Dan kan het nog vliegen zijn verdere leven.
Dat maakt ons pas blij.
Want dan kunnen we een anders iets geven.’

Charel keek de vrouw ongemakkelijk aan.
Het was lang geleden en hij was wat onbekwaam,
Maar stamelend wou hij er toch voor gaan:
‘Wat is eigenlijk je naam?’

‘Ik ben Lieva zei ze toen, wie ben jij?’
Charel gaf toen ook zijn naam prijs.
‘Vanaf nu ben je niet meer alleen, maar is het wij.’
Die uitspraak bracht hem van de wijs.

Vanaf toen stal hij toch niet meer zo veel.
En hij leerde Lieva om wat luider te spreken,
ook al kreeg ze het daarvan in haar keel.
Ze hebben sindsdien niet meer van elkaars zijde geweken.


Zo zie je maar wat een spelletje bingo
in een mensenleven allemaal veranderen kan.
Het had ook wel wat te maken met die flamingo,
maar vooral met de liefde die voortvloeide ervan.